2008-01-06

Eerste zondag 2008

Luister. Eens ging een zaaier uit om te zaaien. Toen hij aan het zaaien was viel een gedeelte op de weg en de vogels kwamen het opeten. Een ander gedeelte viel op rotsachtige plekken waar het niet veel aarde had; het schoot snel op omdat het in ondiepe grond lag. Maar toen de zon was opgekomen, kreeg het te lijden van de hitte, zodat het verdorde bij gebrek aan wortel. Weer een ander gedeelte viel onder de distels en deze schoten op zodat het verstikte en geen vrucht opleverde. Een ander gedeelte viel op goede grond en doordat het opschoot en zich ontwikkelde, leverde het vrucht op en bracht het dertig-, zestig- en honderdvoudig voort. We gaan dit eens even toepassen op onze situatie. Wie de zaaier is laten we in het midden, dat gebeurt in het Marcusevangelie, waar dit verhaal verteld wordt ook. Het zaad is het woord, je zou kunnen zeggen, dat wat hier net naar binnen getild is, waarin dit verhaal zelf ook staat. De grond, dat zijn wij, laten we voor het gemak even aannemen dat wij de goede grond zijn. Het is duidelijk, hier mist iets, want waar is onze voorganger Dick van Doorn in dit beeld? We hoeven niet lang te piekeren om hem een plaats te geven. Hij past zelfs in deze zelfde beeldspraak. Feit is, dat ook goede aarde omgeploegd moet worden. En wie doet dat? Juist, dat doet de voorganger. We hebben het zaad zojuist plechtig binnengedragen, wat zoveel betekent als: ja, gooi dat maar over ons uit. Het probleem is alleen: we zijn er niet erg ontvankelijk voor. Dat is niet vreemd: dat zaad is nogal eigenzinnig. Ofwel: het woord in zuivere vorm klinkt ons meestal vreemd in de oren, en het roept tegenspraak en onbegrip op. Vaker nog is het gewoon saai en nietszeggend. Verder hebben wij als ontvangende grond precies diezelfde eigenschappen in ons verzameld: we doen soms vreemd, we spreken elkaar tegen en begrijpen elkaar niet, of, we zitten nietszeggend met elkaar te leuteren... Er is dus iemand nodig die de goede grond openbreekt zodat het dat vreemde zaad diep in zich kan toelaten. Dat heeft Dick het afgelopen jaar gedaan, en het jaar daarvoor, en daarvoor. Hij kan het gewoon niet laten. Ik zei dat het zaad vreemde eigenschappen had, dat de grond raar tekeer kon gaan, en hetzelfde geldt natuurlijk ook voor de ploeg. Die ploeg is een raar instrument, een paar scheve messen die vlak boven de grond hangen, een werktuig dat niet vanzelf blijft staan, maar steeds maar weer die grond in gesleurd wordt. Kijk, dat is toch precies wat onze voorganger, wat Dick doet. Hij is eigenzinnig, niemand die dat betwijfelt. Eerst zie je hem op een afstandje, bijvoorbeeld zijn hond uitlaten op een weggetje waar westerlingen niet welkom zijn. Bevind je je toch op zo'n weggetje, dat gaat hij je raken, met zijn woorden, en als je hem zijn gang laat gaan, snijdt hij je zieleweefsel open totdat hij contact kan maken met de kern. Meestal zie je hem niet. Koffiedrinken na kerktijd is niet zijn favoriete tijdsbesteding. Je zou zeggen, hij hangt ergens boven de gemeente. Maar nooit lang. Steeds als er iets belangrijks gebeurt bij mensen komt hij binnen. Keer op keer komt hij met nieuwe initiatieven om dingen uit mensen naar boven te halen, om mensen te raken, om mensen te helpen elkaar te raken. Ik denk dat wij allemaal de vreemde kanten van deze ploeg wel hebben meegemaakt. Soms zelfs zo dat de vonken ervan af vlogen. Je kunt niet ploegen zonder conflict en botsing. Maar kijk je aan het einde van de dag terug, dan ligt er wel een rechte voor, klaar om het zaad in zich op te nemen. Waarom doen we dit? Ik bedoel, waarom vertrouwen we onszelf toe aan iemand die zo met ons omgaat, zo ons leven binnenkomt? We doen het omdat we waarde zoeken in ons leven, waarde in ons leven met elkaar, en omdat het woord dat hier ligt zo allemachtig taai en onaantastbaar is. Je kunt het aan de oppervlakte laten, en het doet niks met je. Pas als je je diepere delen blootlegt, begint iets van dat woord te werken. Wat Dick doet is dat woord zelf gebruiken om de sleutel van ons hart te vinden. Hij pelt dat woord uit, hij pelt ons uit, en opeens word je geraakt. Hij kan dit alleen maar doen doordat hij in dat proces ook zichzelf uitpelt, en zichzelf laat raken. Dat is veel moeilijker dan het lijkt. Lang niet iedereen kan dat. Het vergt een soort roeping, en training, en dan ook je leven verbinden met dat ploegen. We weten allemaal dat de band tussen een boer en zijn grond eindig is. De grond kan plotseling een andere bestemming krijgen, of de boer houdt op met boeren. Dat geldt ook voor het werk dat Dick in Almen doet. Afgelopen jaar is gebleken dat de pensioengerechtigde leeftijd geen wet van Meden en Perzen is. Tegelijkertijd zijn we natuurlijk wel geconfronteerd met de vraag: hoe verder als Dick niet meer onze predikant is? Wat we doen met die vraag, is geen onderwerp van dit verhaal. Duidelijk is dat het zaaien en ploegen zelf oneindige bezigheden zijn, met het leven zelf gegeven, en leven gevend. Het woord ligt nu hier voor ons, Dick staat nu hier naast ons, hij heeft de hand al aan de ploeg. We vertrouwen hem ook het volgende jaar deze arbeid van harte toe.