2009-01-04

Opdracht van de bijbel aan Dick van Doorn, 2009

beste mensen

We hebben zojuist de bijbel naar binnen gedragen, en nu vragen we een man die ons niets misdaan heeft om met behulp daarmee ons leven positief te beïnvloeden. Beseffen wij wel wat we doen?
Ook vorig jaar hebben we dat gevraagd, en daarvoor, het is een gewoonte geworden, of liever een traditie, maar dat brengt het gevaar van de sleur met zich mee.
Het wordt namelijk elk jaar moeilijker om nog wat zinvols uit de bijbel te halen. De reden dat ik dit zeg is niet Dick's meer dan pensioensgerechtigde leeftijd. Hij weet nog steeds met elan voedsel uit de bijbel te halen, of het nou kliekjes zijn of volwaardige vegetarische maaltijden. Met vegetarisch bedoel ik dat hij ons de bloedstollende verhalen uit de bijbel meestal bespaart.

Het moeilijke punt is dat wij in een tijd en cultuur leven die bijna geheel heeft afgerekend met het idee dat je over God kunt praten via geopenbaarde geschriften, zoals de bijbel.
Die afrekening is begonnen toen het protestantse geloof zich verhief als alternatieve weg naar God, tegenover de weg van de Katholieke kerk. Niet de kerk, maar de mens kwam centraal te staan. En hoewel veel protestanten zich in de daaropvolgende 500 jaar hebben laten kennen als doorgewinterde bijbelrakkers, zit er in de kern van hun geloof iets, dat als een tijdbom onder dat geloof tikt, namelijk dat het om de mens en zijn individuele ervaring gaat. Daar kan niet makkelijk meer iets tussen komen.
Het geloof "der vaderen" en niet te vergeten "der moederen", is dat nog wel te vinden? Het doet me denken aan wat ik eens in Amsterdam zag, aan een oude gracht. Daar hingen de voorgevels in de lucht van een paar prachtige oude panden, opgehangen aan een skelet van ijzeren balken, boven een reusachtige bouwput, waar bouwvakkers met kennelijke trots aan het werk waren. Een jaar later zag je op die zelfde plek een rijtje authentieke grachtpanden, die samen een groot hotel geworden zijn. Aan de buitenkant kon je niet zien dat die huizen een totaal andere binnenruimte en fundering hebben gekregen.

Denk bij die voorgevels aan onze vertrouwde teksten, de bijbel, en niet te vergeten ons liedboek. Zij vallen op als uiterlijke kenmerken van onze kerk, zeker aan buitenstaanders.
Achter de voorgevels zie je de binnenkant van het geloof, de manier waarop geloof en leven met elkaar verbonden zijn, hoe ons geloof een rol speelt in ons werk, in ons denken, in ons voelen. Die binnenruimte is grondig verbouwd, de laatste eeuwen. Er is een verlichting geweest, wetenschap en techniek zijn erbij gekomen, wereldoorlogen zijn gevoerd, het individu is centraal komen te staan, gezagsrelaties zijn opgelost, de jaren zestig hebben dat nog eens extra ingepeperd.
Er komt nog een element bij waarvoor de beeldspraak opgaat: de meeste nieuwe huizen die gebouwd worden hebben moderne gevels. De meeste mensen die actief zoeken naar spiritualiteit komen niet bij de bijbel en het liedboek uit, niet bij de kerk, ze zouden zich daar juist ongemakkelijk voelen.

Er zijn in Nederland nog heel wat christenen die proberen het oorspronkelijke geloofsbouwwerk, inclusief de fundering, intact te houden. Qua gevelwerk lukt dat aardig, qua fundering niet; het enige dat lukt is dat ze de illusie levend houden dat ze nog steeds in hetzelfde pand wonen. Daarvoor moeten ze wel een gesloten subcultuur opbouwen.
Wij hier in Almen horen daar niet bij. We lezen uit de bijbel, we zingen uit het liedboek, maar ieder heeft daar zijn eigen gedachten bij, en we gunnen elkaar ook die eigen gedachten. We houden het gevelwerk in stand, maar binnenskerks zoeken we eigen wegen.

Dan is het nu wel de vraag wat we zijn als kerk: zijn we een museum geworden? Een expositie van woorden en thema's uit het verleden, bedoeld om een inzicht te geven in hoe mensen vroeger leefden?
Of zijn we dit: een plek waar mensen bezig kunnen zijn met hun levensvragen? Waar ze heen kunnen met hun gevoelens als het leven klappen uitdeelt. Met hun verwarring als ze voor keuzes staan waarbij ze uit twee kwaden moeten kiezen. Met hun gevoel van dankbaarheid, als ze het leven willen vieren.
Als museum doen we het heel aardig. Maar dat andere, een werkplaats midden in het leven, waar mensen bezig kunnen zijn met zingeving, dat lukt niet zoals we willen; daarvoor missen we teveel de mensen die in het midden van hun leeftijd zijn. Kijk maar om u heen: de mensen tussen 16 en 60 zijn er wel, maar niet hier.
Ligt dat aan henzelf, hebben ze het te druk met werken? Een betere vraag is: waarom leggen wij zoveel nadruk op dat wat ons tot een museum maakt? Sommigen voelen zich aangetrokken tot de vertrouwde rust van een museum, maar mensen met de voeten in de modder gaan eraan voorbij.

Tegenstrijdige gevoelens gaan door ons heen: aan de ene kant hoor ik mensen zeggen: laten we nu eindelijk eens loskomen van die oude woorden en die oude manieren van doen. Aan de andere kant beseffen we ook: dat oude geloof heeft ons wel belangrijke waarden doorgegeven, en die oude teksten hebben nog steeds een zekere kracht in onze zondagse diensten.
Ook gebeurt er hier in Almen wel degelijk van alles dat ons kan helpen met onze zingevingsvragen, inclusief de verwerking van ziekte en sterven. Het punt blijft alleen staan: we missen het aandeel van 1 à 2 generaties in ons kerkelijk functioneren.
Deze spanning is niet zomaar oplosbaar. Belangrijk is wel dat we als kerk de dingen doen die passen bij wat we willen zijn, en de moed opbrengen de dingen te laten die dat in de weg staan.
Daarin speelt de voorganger een belangrijke rol, maar de manouvreerruimte van een voorganger wordt weer bepaald door wat wij met z'n allen willen.
In deze toestand van de wereld, te midden van deze vragen met betrekking tot hoe we kerk zijn, in dit spanningsveld, vertrouwen we, symbolisch, de bijbel toe aan onze dominee Dick van Doorn.

Dick, wij kennen jou als iemand die ook verbouwd heeft. Jouw geloof van nu heeft andere accenten dan toen je nog vóór je theologische studie stond. De Groningers hebben de bevrijdingstheologie aan je bagage toegevoegd, maar wat je ons tegenwoordig brengt is dat niet. Je verschuilt je niet achter een bepaalde theologie. Wat we jou zien doen is: een gids zijn in de wereld van de geesten. Ten oosten van de Oeral hebben ze daar een woord voor: sjamaan. Jij bent een sjamaan ten westen van de Oeral.

De geestenwereld zweeft niet een kilometer boven Almen, en ook niet vlak ernaast boven het Besselinkpad. De geestenwereld zit in de kruinen van de eiken en beuken, en zoekt zich een uitweg in de bloeiende krentenboompjes daaronder. En vandaar kruipt die wereld waar ze niet gaan kan, in de doolhoven van onze eigen gedachten- en gevoelswerelden, en via onze benen rust ze op het Almense zand en de Berkelse klei.
Als je maar kijkt met het geestesoog. Zo leer jij, Dick, ons kijken naar de bijbelverhalen, en je maakt ons gevoelig voor het verhaal achter het verhaal, en het blijkt steeds weer dat we zelf meedoen in een groter verhaal.
En zo leren we naar onszelf te kijken, een dorpsgemeente zoals er duizenden zijn op de wereld weliswaar, maar ook een gemeenschap van een paar honderd unieke zielen, die elk hun sporen volgen in de geestelijke wereld.
Met die ogen zien we in Dick niet zozeer de man die de Almense weggetjes affietst, maar de dominee die met zijn hart altijd in de weer is om paadjes te vinden in de geestenwereld, dat wil zeggen: verbindingen tussen mensen, tussen mensen en de natuur, tussen mensen en de dingen die van waarde zijn.

Daarom zeggen we nu dan ook, en tegen jou voor de laatste maal: pak deze bijbel, roer er in, voeg zo nodig andere ingrediënten toe, leen een paar eieren van de buurman, laat het sudderen en help ons om die speciale tastzin te ontwikkelen voor het leven achter het leven. We zullen het nodig hebben, nu, en na de zomer, wanneer jij met emeritaat gaat.

Tot slot de woorden van een rabbi, die iets zeggen over omgaan met God, en als deze woorden uit de mond van Dick waren gekomen, hadden we niet vreemd opgekeken. Daarom neem ik de vrijheid de woorden om te werken naar de Almense situatie.

Men vroeg Dick van Doorn eens: er staat geschreven: ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypteland uitgeleid heeft. Waarom staat er niet: ik ben de Heer, uw God die hemel en aarde schiep? Dick van Doorn verklaarde: hemel en aarde ... dan zouden de Almenaren gezegd hebben: dat is ons te groot, daar vertrouwen we onszelf niet aan toe. Maar wat God wel zei was: ik ben het die je uit de modder heeft gehaald, kom nu maar eens hier naar toe en luister!

1 reacties:

laura Reedijk-Boersma, Zeist zei

Omdat ik bezig ben, als bijna 77-jarige, mijn herinneringen aan mijn tijd als vicaris in 1955/56, op te schrijven, keek ik even op jullie website, en vond het mooie verhaal over de opdracht van de bijbel aan collega Dick van Doorn. Ik vind het heel boeiend. Helaas kunnen mijn man en ik niet meer in Almen komen, mijn man heeft Parkinson en is inmiddels al 81 jaar, maar het deed me goed te lezen dan het verhaal doorgaat, op welke manier dan ook! Een hartelijke groet van Laura Reedijk
laurareedijk@hetnet.nl